Ik lees brieven naar de volle maan. Een brief over vertellen raakt me vanbinnen omdat ik zelf aan de drempel sta.
Als ik nog langer wacht, denk ik, is het magische voor mij voorbij. Ouder wordende vrouwen, het worden er steeds meer, zij hebben iets te vertellen, te delen, te geven, te ontvangen. Iets dat wijsheid geworden is en voedend is voor de wereld.
In het laatste jaar waarin ik een 5 draag voor de 6 arriveert, besef ik op een nieuwe ‘wijze’ dat tijd op aarde bepalend is. Moet ik versnellen?
Ik schrik op. Een grote libelle vliegt tegen het net op het terras. Ze hangt vast.
Mijn lichaam wil snel opstaan maar mijn intuïtie houdt me tegen. Rustig, geef haar de tijd die ze nodig heeft. En verbonden daaraan hoor ik, geef jezelf de tijd die je nodig hebt. Om helder in actie te kúnnen zijn.
Tijdens ongeveer drie lange seconden hoor ik gezoem afgewisseld met stiltes. De libelle probeert los te komen. Ze vertelt me iets. Ik kijk en luister gefascineerd en zit klaar om beheerst op te staan en hulp te bieden. Op dat moment vliegt ze weg.
Ik blijf zitten en het eerste wat ik wil doen is de spirituele betekenis van een libelle opzoeken … en stop. Ik leg mijn telefoon neer want ik heb al ontelbaar veel libellen en hun boodschappen in mijn leven ervaren en vertel mezelf met een bijna triomfantelijke glimlach dat google zelfs nog nooit een libelle heeft gevoeld.
Het prachtige dier was heel groot. Haar lichaam was turquoise en er glinsterden sterretjes in haar doorzichtige vleugels. Ze zijn magisch libellen, magisch als de draken in het rijk van het oude volk. Ik ontspan en hoor het verhaal dat ze me bracht.
“Soms vlieg je in je snelheid ergens tegenaan. Tegen een hindernis die je verrast omdat ze niet zo onvermijdbaar is als concrete materie, bv een muur. Het net van vandaag heeft mazen en laat je zien hoe het eruit ziet aan de andere kant en je vraagt je af hoe je daar komt. Je wilt je alleen maar bevrijden van de hindernis die je tegenhoudt en weet niet dat deze je beschermt tegen je eigen ondergang. De schittering van het licht waar je zo graag naartoe wilt, doet je soms het overzicht verliezen waardoor je niet veilig gefocust vooruit kan bewegen en je te snel bent. Je raakt verblind.”
(Als het net er niet hing was de libelle misschien dood gevlogen in de glinstering van het raam.)
“STOP!” zegt de libelle. “Dit is waar je bent. Je bent nergens anders. Je gaat nergens anders naartoe. Dit was het beste wat je in deze omstandigheden kon doen. Vastzitten.
Kijk om je heen. Beweeg een beetje. Voél waar je bent. Beweeg nog een keer. Shhht, rustig, blijf gefocust. Beweeg nog eens. Voel. En kijk! Je vliegt!
Go wíth the flow, don’t push it.
Niet de schittering is jouw doel. Je bent immers je eigen licht. Vertrouw.”
Is het dat melancholische regenweer dat me altijd weer meeneemt? Is het het ouder worden dat het verleden dichterbij brengt? Zo oud ben ik nog niet.
Zeker niet als ik me een prille twintiger voel, deinend op de overzetboot van Nantucket, Massachusetts naar Hyannis, alleen op reis naar New York waar nieuwe verrassingen zich zullen ontvouwen.
Ik vraag aan mensen of ze de richting van de Big Apple zullen uitrijden maar ik kan niemand vinden. Sinds de boot de haven uitgevaren is voel ik ogen in mijn rug. Iemand slaat me nauwlettend gade. Ik draai me om en kijk in de vriendelijke maar doordringende ogen van een man die ik ongeveer 45, 46 jaar schat. Hij knikt niet, geeft geen zichtbaar teken van herkenning en ik besluit om een kop koffie te drinken aan het buffet. Als ik daarna op het winderige dek ga wandelen en mij omdraai om mijn sjaal rond me te kunnen wikkelen tegen de zon en de wind ontwaar ik opnieuw zijn blik. Het voelt niet gevaarlijk, ook niet vijandig. Ik kan het niet thuiswijzen, het voelt vreemd.
Alle passagiers staan ondertussen te wachten om aan wal te gaan en de mysterieuze man biedt me op het laatst mogelijke moment een lift aan. Hij woont in Greenwich, dat ligt in de buurt van mijn eindbestemming. Twee dingen gaan door me heen. Ik heb geen andere mogelijkheid om te reizen, tenzij het vervelende vooruitzicht om van de ene trein en bus op de andere te springen. Als ik de man bekijk voel ik volkomen onschuld. Ik weet niet waarom maar het voelt oké. Ik besluit om mee te rijden.
In de auto vertelt hij dat hij elk jaar met vrienden gaat vissen in Nantucket. Ik denk terug aan de afgelopen tijd. Aan mijn baantjes hier en aan de vissers die dagelijks terugkeerden van de oceaan met verse vis, kreeft en scallops.
Scallops! Hoeveel ruwe schelpen zouden mijn handen gepasseerd zijn om met een vlijmscherp mesje in één vloeiende beweging in een emmertje te belanden. Kapotte handen, pijnlijke nekspieren, ruikend naar vis maar hoe voller het emmertje, hoe meer dollars als ik ’s avonds doodmoe de deur achter me sloot.
Ik voel hoe hij me zit aan te kijken en weet dat de vragen die hij stelt over mijn bezigheden in het leven niet zonder doel zijn. We zijn een half uur onderweg en hebben nog 6,5 uur voor de boeg. Het valt me plots op dat we ons niet aan elkaar voorgesteld hebben. Hij heet Norbert en komt uit Groot-Brittannië. “All right, that should work”, zeg ik een beetje lachend, “I’m European too”. Hij schuifelt een beetje zenuwachtig heen en weer en vraagt waar ik dan wel vandaan kom. “I’m from Belgium” zeg ik. Even lijkt het of alles stil valt, alsof iemand voelbaar het stuur overneemt. Hij is lijkbleek en stopt aan het eerste wegrestaurant dat we tegenkomen. We drinken zwijgend koffie en een onverklaarbare rust komt over ons heen als we weer gaan rijden.
Na een lange stilte zegt hij dat hij mij iets wilt vertellen. Een verhaal dat hij nog nooit verteld heeft tegen a living soul. Het mooiste verhaal van zijn leven.
Hij was 20 toen hij samen met enkele andere collega’s door zijn firma naar België werd gestuurd om een vergadering bij te wonen in Brugge. Zijn collega’s besloten de stad te gaan verkennen de eerste avond. Hij voelde er meer voor om rustig in het hotel te eten en zich voor te bereiden op de volgende dag. Terwijl hij aan een tafeltje ergens over zat te denken zag hij de zwarte vleugelpiano aan de andere kant van de kamer. Hij kon de verleiding niet weerstaan en ging op de kruk zitten, zette zijn handen op de toetsen en speelde zijn lievelingsmuziek. Mensen kwamen rond de piano staan en het werd gezellig.
Een van luisteraars was een meisje van ongeveer 19 jaar. Een doodgewoon meisje, niets opvallends maar om de een of andere reden fascineerde ze hem en hij zocht contact. Ze sprak Engels en was daar met haar ouders. Deze hadden het niet op hem gemunt maar de jongedame wel en dus spraken ze stiekem af de volgende avond.
Het moment waarop ze die bewuste avond in de lobby verscheen werd hij tot over zijn oren verliefd. “Zij was de mooiste”, vertelde hij heel ontroerd. Ze genoten intens van elkaar maar hij moest terug naar Groot-Brittannië en zij bleef in Brugge.
Eens thuis werd hij wee van verlangen en pakte nogmaals zijn koffers om terug te keren naar Brugge. Daar wond hij er geen doekjes om en vroeg haar ten huwelijk. Ze waren dolgelukkig maar haar ouders niet want ze mocht niet trouwen met een buitenlander. Het huwelijk ging niet door.
Ze zijn elkaar in het geheim blijven ontmoeten en elk moment was een gestolen en gelukzalig moment om nooit te vergeten. Een vakantie in Griekenland deed hen beiden beseffen dat geheimhouding niet was wat ze wilden en namen afscheid.
Zo snel als het begon kwam het einde. Ze hebben elkaar nooit meer gezien. Hij kreeg een aanbieding in Amerika en kwam niet meer terug.
Hij vertelt heel vluchtig over zijn huidige vrouw en hun kinderen, een stabiel gezin. Het wordt weer stil in de auto.
Beiden in gedachten verzonken rijden we verder tot aan een restaurantje aan de Connecticut River. Voor we uitstappen kijkt hij me even aan, speelt wat met zijn autosleutel en zegt: “I know here inside, that if I would see her again I would leave everything behind to go on where it all stopped so abruptly”.
We stappen uit en genieten van het eten terwijl we in alle rust uitkijken op de River. Woorden lijken nu brutaal, de stilte is helend.
Op terugweg naar de auto laat ik mijn tas vallen. Hij helpt me alles op te rapen en als ik opkijk staat hij met een Nederlands boek in zijn handen. Een boek dat een Belgische vriendin me opstuurde tijdens mijn verblijf in Nantucket. Hij slaat het open en begint te lezen alsof Nederlands zijn moedertaal is. Mijn verbazing stijgt wanneer hij begint te vertalen wat hij net gelezen heeft. Hij is het nooit vergeten.
Dan zie ik het weer duidelijk, die blik in zijn ogen die me al van op de boot gepuzzeld heeft. In de auto vraag ik naar zijn belangstelling voor mij en waarom hij dit mooie verhaal vertelt. Hij kijkt me aan. Het is lang stil in de auto. Dan zegt hij:
“Toen ik jou daar op de boot zag stappen dacht ik dat ik gek werd. Je ogen, je lange haren, je profiel, je stem, alles klopte. En toen je me vertelde dat je uit België kwam en dan ook nog Vlaamse was, werd het even zwart voor mijn ogen. Jij bent het evenbeeld van een jonge vrouw die op een zwarte vleugelpiano leunde in een klein Brugs hotelletje, 20 jaar geleden.”
Ondertussen komen we aan in New York. Ik haal zonder woorden mijn rugzak uit de koffer van zijn auto en wil hem bedanken en vaarwel zeggen. Hij is me voor, kijkt me recht in mijn ogen en met een onbestemde zachtheid in zijn stem zegt hij:
“You know that I will probably hate you forever.” Met de rugzak half over mijn schouders kijk ik op en antwoord: “I know” en verdwijn uit zijn leven.
Het schemert in de kamer als ik mijn ogen open. Ik hoor de wind in de bomen en proef het met al mijn zintuigen. De herfst klopt zachtjes aan.
Waar het zaterdag nog broeierig warm was voelde het op de fiets vanochtend als de overgang. Is herfst echt mannelijk? Het voelt evenzeer vrouwelijk, wat het woordenboek er ook van zegt. Heeft de herfst last van overhoop gehaalde hormonen? Hm, is dat wel last? Ze is prachtig en onvoorstelbaar creatief en krachtig in haar spel. Ik denk aan mijn regenjas, aan shirts met lange mouwen en aan ingepakte voeten in dichte schoenen. Dat voelt dubbel want de zon schijnt nog zo lekker en ik hou intens van dagenzonderjas.
Dankbaar dat ik de mogelijkheid heb om mij te beschermen en dat mijn dierbaren dat ook kunnen, terwijl zoveel kinderen en volwassenen al dichter tegen elkaar aan gekropen zullen zijn tijdens de nacht omdat zij niet de bescherming hebben van muren en daken, een bed, een kamerjas en voedzaam eten, gaat mijn hart uit naar hen. Maar verandert dat ook maar iets aan hun situatie? Dubbel.
Beelden van gisteren verschijnen voor mijn ogen. Ik fietste naar het centrum om een aperitiefje te gaan drinken bij mijn zoon en schoondochter en passeerde de Sint Quintinuskathedraal. De deur stond open. Er was geen mens. Ik had er nog nooit een voet binnen gezet of misschien wel maar dan wist ik het niet meer. Met mijn fiets op slot tegen de gevel van de oude kerk liep ik stil naar binnen. Ik weet niet hoeveel die stilte met respect te maken had als wel met een celherinnering aan verplichtingen. Er was blijkbaar toch iemand, een devote man met een gelaat waaruit ik niet kon peilen of het verdriet of verbittering was maar wel duidelijk lijden. Ik keek naar de welvingen boven mijn hoofd en kon het orgel dat tot aan het plafond reikte, niet ontwijken. Prachtig bewerkt hout, indrukwekkend geconstrueerd, reikend of zal ik zeggen ‘rijkend’ naar de hemel. Hoeveel collectes zouden erin zitten? Hoeveel schenkingen? Hoeveel aflaten? Hoeveel liefde? Dubbel. Omdat ik niet goed ben in schatten probeerde ik me voor te stellen als een soort Alice in Wonderland hoeveel keer ik op mijn eigen hoofd paste om het plafond te raken. In mijn fantasie kwam ik aan minstens tien keer. Dat is hoog! Ik dacht aan de mensen die uren, dagen, weken en maanden, misschien wel jaren gewerkt hadden aan een instrument ter ere van de gloria, de eer, de roem, de heerlijkheid. Een middel op weg naar een doel. Werd het middel het doel …
Op de achtergrond zong een mannenkoor maar na vier seconden blijdschap ontdekte ik dat het geluid uit een verdekt opgestelde luidspreker kwam. De zijbeuken waren gevuld met heilige vrouwenfiguren zoals Maria en Apollonia, waar je kaarsen kon branden tegen betaling om gunsten, medeleven en genezing te vragen terwijl je mediteerde in de stoelen voor hun afbeelding en enkele schilderijen van bijbelse taferelen. In mijn beleving zijn ze de zachtste figuren uit de kerk, de vrouwen. Dubbel. Want ze zijn zo krachtig, alleen zie je dat bij deze beelden niet altijd. Zou hun vrouwelijke kracht, in tegenstelling tot hun bescheidenheid, te indrukwekkend geweest zijn voor de kerk?
De doopvont lag in een hoek van de kerk en ik
vroeg me af hoe het moest zijn als baby om liggend en starend naar die hoge,
donkere omgeving en het prachtige glas in lood, water over je heen te krijgen
door een vreemde terwijl je in de armen van je moeder of je meter of peter ligt.
Dubbel.
Toen zag ik achter me de biechtstoelen met de gordijntjes en was eerlijk verbaasd dat ze er nog waren, of nee, dat ze nog steeds dienst doen.
Plots bevond ik mij terug in mijn kindertijd tijdens het verplichte biechten met de hele school naast elkaar op de banken in opgelegde stilte, wachtend tot je op je knieën op het houten trapje moest plaatsnemen terwijl een priester die je net nog voor de kansel had gezien zonder sjaal, zo noemde ik dat toen, door een uitgewerkt houten frame van de andere kant zijn zegen gaf om je zonden op te biechten. Natuurlijk keek je stiekem en voelde je je betrapt als zijn ogen door de gaatjes jou recht aankeken. Dubbel. Hoe ik dingen verzon die ik zogenaamd mispeuterd had want niets fout doen kon niet, dus bedacht je dingen want wie kent zijn of haar eigen blinde vlek. En dan kreeg je absolutie. Wat dat precies inhield wist ik niet maar het betekende dat je weer mocht deelnemen, weliswaar als berouwvolle zondares want dat bleef je, maar bevrijd van het kwaad. Het maakte een diepe indruk op mijn bestaan als kind, ik kon niet begrijpen hoe kleine, onschuldige baby’s niet onbevlekt ter wereld konden komen. Hoe je niet zonder zonden kon zijn, hoe hard je ook probeerde.
De biechtstoelen in de kathedraal zijn uitgewerkt in prachtig hout, met engelen die klaarstaan om je zonden weg te vegen na je penitentie. Ik volgde de lijnen van het glanzend en goed onderhouden kunstwerk dat ooit een echte boom was met bladeren die reikten tot in de hemel. Dubbel.
Ik liep verder en voelde de genade, de honger naar
liefde en erkenning, de rust, de overgave en de eeuwen van hoop en hopeloosheid,
van pijn en wanhoop en zoeken naar antwoorden. Mijn hart voelde mededogen, de
vleugels van liefde zijn van onschatbare waarde maar om welke vleugels gaat het
dan.
Ik keek nog één keer door het lange gangpad naar
het altaar, zag de schoonheid en de val, the beauty en the beast en draaide me
om. Buiten haalde ik diep adem, opgelucht, en keek naar boven. Daar hoog in de
lucht zag ik mijn enige echte kathedraal, de reizende wolken aan de hemel. Eens
voorbij komen ze nooit meer terug maar je kunt erop vertrouwen, er komen altijd
nieuwe.
Het was zomer. Mijn kinderen woonden nog gezellig bij me in een heerlijk huis met een tuin, waarin we de sterren en de maan konden terugvinden door gewoon omhoog te kijken.
Merels zongen er hun mooiste lied als ze bij valavond de regen aankondigden. Een familie grote kraaien logeerden op het dak waar ze elk voorjaar hun nest bouwden in een ongebruikte schoorsteen. Kievitten scheerden laag over onze hoofden als de jongen uit het ei waren gekropen en mijn geliefde Tijgertje werd de dappere, waakzame koning van de buurt. Deze tuin zou de laatste zijn waarin ik voorlopig zou verblijven maar dat wist ik toen nog niet.
Tuinieren is nooit mijn hobby geweest. Maar misschien is dat ook wel omdat ik het nog nooit op mijn manier deed en dat is dan omdat ik, nog steeds, eigenlijk niet weet wat mijn manier inhoudt en daarom dacht dat ik het niet kon of dat het me niet interesseerde. Hm, ingewikkeld?
Waar het op neerkomt is dat ik er anders naar kijk. Ik ben namelijk nieuwsgierig en heb gewoonweg plezier in wat de natuur uit zichzelf komt schenken. Ik wil me niet zo graag moeien met een kracht die zoveel wijzer is. Je plant wat je nog wilt toevoegen en wacht of dat stuk grond het een verrijking vindt. Als dat zo is, kan je de relatie met respect uitbouwen. En daar heb ik heel veel geduld voor, nog altijd.
In onze zomertuin van toen kon ik op mijn dooie gemak de schoonheid van de molshopen tussen de paardebloemen, heermoes, madeliefjes en weegbree, bewonderen. Wat een werk hadden die blinde dieren! Ik stelde me het drukke leven van de mol voor in dialogen en verhalen en trachtte hem met die verhalen in gedachten te bereiken, met de boodschap dat hij moest vluchten omdat hij anders een zekere dood tegemoet zou gaan want mensen zijn op hun creatiefst als het op lijden aankomt.
Op één van die zomeravonden schreef ik dit in mijn dagboek.
“Het oerwoud is omgevormd tot een soort over de bodem kruipend, weelderig (on)kruidland. Met onschuldige gretigheid heb ik het allereerste tomaatje, één aangevreten paprikaatje en twee gezonde pepers kunnen oogsten! Tot mijn ver- of bewondering, beiden zijn opwindend, passeerden een verscheidenheid aan spinnen waarvan sommigen zelfs een kruis op hun rug droegen en me met een klein gilletje deden verschieten. Als kind maakten we elkaar namelijk wijs dat ze ons konden vergiftigen! Even ging het door me heen dat hun voorouders waarschijnlijk de kruistochten hadden meegemaakt maar dat was misschien wat al te ver gezocht.
Er liep heel wat klein volk in de tuin rond, het was er druk. Sommigen waren net zo min op mijn gezelschap gesteld als ik op het hunne en dat resulteerde in enkele ambetante bultjes. Tussendoor had ik een ontmoeting met een grote, groene sprinkhaan! We keken elkaar een hele tijd in stilte aan voor ze weer verder moest. Het was prachtig! En ondertussen liep ons onbekend logeetje sinds een dag, een sneeuwwit poesje, als een dolle speelbal in en uit de serre. Ik was meteen verliefd op hem. (PS: hij is gebleven, wat dacht je)
Uit de serre kon ik twee hele handenvol groene, een beetje aangestoken boontjes plukken en een lekkere eikenbladsla, die ik gedeeld heb met een dakloze slak toen ik hem voor de volgende nacht alvast een onderkomen gaf bij de vlinderstruik.”
We zijn ondertussen heel wat jaren verder en ik heb al lang geen tuin meer. Ik zeg nog steeds lachend dat ik geen groene vingers heb en dat wordt ook nog steeds bevestigd. Maar wie weet, misschien wordt het tijd om mijn overtuiging te herzien en de toekomst open te laten voor nieuwe verrassingen.
Plots ben ik geïrriteerd. Allerlei stemmetjes in mijn hoofd die zitten te wachten op een gelegenheid, vallen aan. Ik hoor het kraken van een platenspeler, word onrust gewaar in mijn lichaam en voel mijn hart haar deuren sluiten.
“Onzin”, hoor ik in mijn hoofd. “Iedere keer weer” klink een andere stem. “Waar leven die mensen eigenlijk!?” roept een derde. “Ja! Amai! Als ze gelijk hadden en het écht waar was wat ze beloofden, waren ze allemaal stinkend rijk!” antwoordt een vierde. “Just another wannebe” hoor ik iemand zuchten.
Op de achtergrond klinkt het gedempte geroezemoes van andere ontevreden stemmetjes. “Ik zei het toch, onzin.” stelt de eerste stem emotieloos vast.
Plots maakt iedereen plaats en galmt de dominante dreun van een reus. Als een advocaat toornt hij hoog boven de anderen uit en begint zijn redevoering met een statement. “Zíj hebben ongelijk!!!”
Een goedkeurend gemompel stijgt op uit de menigte. De reus neemt een diepe ademhaling om zijn betoog aan te heffen maar onderbreekt dat plots als een zacht gegniffel uit een hoekje komt.
Alle neuzen draaien dezelfde richting uit. De reus met zijn opgezwollen borstkas krijgt rode ogen van zijn adem in te houden. Hij maakt zich beledigd klaar om uit te barsten maar verslikt zich in zijn eigen haantjesgedrag.
Het gegniffel in de hoek zwelt aan tot een aanstekelijke bulderlach die besmettelijk blijk te zijn en iedere keer meer stemmetjes verovert.
In mijn hoofd is iedereen losgeslagen en lacht en lacht om alles en ook nergens om. Niemand weet nog hoe het begon. Behalve de reus, die zit ondertussen op de grond zonder doel en hij observeert. Zijn borstkas is geslonken tot normale proporties.
Hij is de eerste die het licht ontwaart als de deuren van mijn hart zachtjes opengaan. Langzaam wordt het stil.
In het licht van de open deuren vormt zich een figuur. Er is geen schaduw te bespeuren. Het is het lichtspel zelf dat beweegt. Iedereen kijkt ademloos toe.
De figuur maakt geen geluid maar klinkt wel in alles en iedereen door als ze zegt: “Van binnen naar buiten.” En alsof ze het afgesproken hebben, haalt iedereen adem en zucht een keer, bevrijd. Mijn lichaam ontspant.
Ik doe mijn schrijfboek dicht. De platenspeler klikt en valt stil.
Ik reed langs het kanaal naar huis na een, laat het me een bijzondere, namiddag noemen.
Ik heb kippetjes ‘gedreven’. Echt. Ik had er schik in. Je weet wel, zoals je schapen drijft. En ze waren zo lief, alle drie. Ja oké, het was kleinschalig maar toch hé, het was wel belangrijk voor de kippetjes want die waren heel even de weg goed kwijt!
En toen, op weg naar huis, heb ik iemand op de kast gejaagd in een reddingsactie van een reisduif.
De duif zat op de weg langs het kanaal en liep moeizaam voor mijn auto uit. Ze vloog niet weg. Ik stond ondertussen ongeveer stil met mijn vier pinkers in actie om haar te laten oversteken.
Komt er een auto achter me aan toeteren terwijl hij me al van ver gezien had want hij vertraagde al lang voor hij bij me was. Ik had zo’n zin om mijn middelvinger op te steken maar herinnerde me net op tijd dat je daar het tegenovergestelde mee bereikt.
Dus zwaaide ik mijn rechterarm omhoog met een instante boosheid die zo hard door de lucht gesmeten werd dat de bestuurder achter mij energetisch recht tegen zijn voorhoofd geraakt werd, daar ben ik zeker van!
Eigenlijk kon hij me gewoon niet voorbij want ik ‘dreef’ de duif met mijn auto naar de berm aan de kanaalweg. Er was verder geen mens te bespeuren.
De duif bereikte de goot, ik ging aan de kant en de autobestuurder achter me reed voorbij met grote verontwaardiging op zijn gezicht. Het kon me niet schelen, ik had de duif gered van een vreselijke dood.
Nee, het verhaal is nog niet voorbij. Ik stapte uit om de duif verder weg te leiden van het mogelijke gevaar. Ze keek me aan, zo van opzij weet je wel, kopje schuin, één oog op mij gericht. Ze stapte vermoeid een beetje verder. Ze was geringd en haar hals blonk als een edelsteen in de zon. In mijn achterhoofd hoorde ik dat liedje van oh mijn blauwe geschelpte … of zoiets.
Toen dacht ik aan het koekje dat ik bij de koffie had gekregen die namiddag! Bingo, dat was een geniale inval! Ik opende de verpakking en dacht toen: ‘Werkelijk!!! Of àll the cookies in the world!’ Je moet me kennen om dit te begrijpen. Het was een koekje gedraineerd in kokos. Jakkes!!
Dapper brak ik stukjes af en strooide ze uit op weg naar het jaagpad. De chocolade smolt in mijn vingers en de geur van de kokos walgde in mijn neus. De duif echter weigerde er ook maar één stukje van te eten. Misschien was ze ook wel allergisch voor kokos!!!
Uiteindelijk dreef ik haar tot aan het jaagpad. Ze keek me nog een laatste keer aan, spreidde haar vleugels en verdween toen in een miraculeuze, dubbele regenboog die achter ons boven het water was verschenen. Wat een onvoorstelbaar, prachtig geschenk 💜
Eenmaal terug op weg naar huis tintelden mijn vingers als reactie op de kokos en reed ik met het raam wijd open tegen de geur mijn huisje tegemoet.
Boven de kokos echter, rees een ander tintelend gevoel uit. Ik had een leven gered. En de rest, dat zou wel goed komen.
De zon was zich al aan het voorbereiden op een rustige overgang toen ik het hek aan het bospad opende en de mensen in het park achter me liet.
Heel bewust liet ik daar ook het idee achter dat mijn verstand met trots gecreëerd had en verkondigde alsof het de waarheid was. Of ik even wil vertellen welk idee? Hemeltje lief, nee, je kent zelf voorbeelden genoeg, geloof me. Dat je iets niet kan bijvoorbeeld of dat je niet goed genoeg bent omdat …, of dat je beter dat andere kan doen ook al wil je eigenlijk dat ene. Vul maar in, je verstand heeft er verstand van, echt.
Ik liet het idee van mij dus achter bij het hek en wentelde me in honderd tinten groen, versierd met wilde voorjaarsbloemen waar de bijtjes, libellen en allerlei insecten doorheen zoemden op zoek naar nectar en een partner. In de vijver bliezen mannetjeskikkers luidruchtig hun ego op en sprongen heel stoer en doelgericht op de vrouwtjeskikkers af. Die waren daar niet altijd mee opgezet en verdwenen dan tussen de waterpest, waarna de mannetjes doodleuk hun gezang opnieuw inzetten in een nieuwe poging om hun genen voort te zetten.
Het was magisch om naar het aanzwellende kikkerkoor te luisteren en heel lang stond ik muisstil. Niet zoals de muizen zelf want die hadden het vreselijk druk met heen en weer lopen doorheen een dik bladerdek dat bewoog alsof het elk moment in zijn geheel zou gaan verhuizen.
Omdat mijn lijf weer wilde bewegen, wandelde ik verder langs de nieuwe lichting varens die voor mij altijd verbonden zijn met een wereld vol elfen, lichtwezens en avonturen. Kijk maar eens volgende keer. Als je ze eenmaal gezien hebt laat het je nooit meer los. Heerlijk.
Net voor het hek weer in zicht kwam en ik rustig stond te genieten van deze wonderlijke wereld, zag ik plots twee heldere ogen die me onderzoekend aankeken. Mijn hart klopte sneller. Oohhh, een ree op mijn pad! Prachtig! Maar heel misschien, ik weet het niet zeker hé maar het zou zomaar eens kunnen, was het andersom en dacht zij, oohhh een mens op mijn pad! Prachtig!
Mijn verstand dat braaf had zitten wachten bij het hek aan het bospad keek me even aan over haar grote leesbril en zuchtte.
Ik zei niets en terwijl we samen in deze uitzonderlijke stilte naar de parking liepen, pinkte de zon een oogske recht in het bladerdek en verwelkomde de schemering die op de drempel stond met de nacht al in zijn achterzak.
Het stormt buiten. Dikke, grijze wolken vliegen gehaast
voorbij alsof er ergens een deadline op ze roept. De wind is in zijn element en
speelt met alles wat hij te pakken krijgt. Indrukwekkend. Af en toe komt de zon
tevoorschijn. Als haar stralen op de nog kale, natte boomtakken vallen maakt ze
haar belofte waar door te glinsteren in elke regendruppel. Magisch.
Twee weken geleden heb ik me opnieuw overgegeven aan
mijn opruimbeweging. De eindeloze stroom artikels, blogs, boeken en filmpjes
die voorbijkwamen over dit onderwerp, hebben me niet koud gelaten. Ze prikkelden
mijn zinnen om door te gaan met wat ik vorig jaar tijdens de lange, hete zomer
opgegeven had. Ik wilde licht en speelsheid in mijn huis en na heel wat opruim-
en schilderwerk begon er schot in de zaak te komen, tot de hitte me te machtig
werd. En geloof me, er bleef nog genoeg chaos over die ondertussen dramatisch
over de grond rolt, schreeuwend om mijn aandacht.
Ik kan je niet vertellen hoe vaak ik de afgelopen
maanden met goede moed en overtuigingskracht opnieuw begonnen ben aan dat drama
en hoe ik bijna even vaak geïrriteerd niet kon begrijpen waarom het me steeds niet
lukte. Dan gooide ik de handdoek in de ring en ging iets anders doen, eender
wat als het maar ver genoeg afstond van opruimen.
Waar was de vrouw die tig keer verhuisd is, alleen, met
een partner en nadien nog enkele keren alleen met haar kinderen onder haar vleugels?
De vrouw die erin slaagde om iedere keer weer een thuis te creëren? Waar was ze
naartoe gegaan? Ik vond haar niet meer en ik voelde me behoorlijk in de steek
gelaten.
Nu heb ik een zeer creatief ego dat me altijd weet te
entertainen, ook als ik dat niet wil. Omdat het een strijd bleef in mezelf ging
ik er op een dag bij neerzitten. Zomaar in het midden van de chaos in de kamer.
Ik gaf me over. Tenminste, dat dacht ik toch. Mijn ego kwam met een nieuwe
oplossing voor ‘het probleem’. Gezien ik zoveel moeite had met onderscheiden
wat ik nog langer wilde houden en wat weg kon, moest ik mild zijn voor mezelf.
Ik hoefde geen keuzes te maken en kon alles toch gewoon houden. Want, was zijn
briljante redenering, dit is niet zomaar een rommelkamer, nee, dit is een ‘als …
dan’-kamer.
Het bleef even stil in mijn hoofd. Onder de indruk van zijn eigen vindingrijkheid straalde mijn ego door mijn bezwaren heen en trok me mee in zijn enthousiasme. Deze kamer zou voortaan door mijn leven gaan als de ‘als … dan’-kamer. Ik zag het helemaal zitten want elk voorwerp dat ik bekeek of aanraakte kon een functie hebben in de toekomst. Als ik ooit een knutselwerkje wilde maken kon ik kiezen uit een hele verzameling strikjes bijvoorbeeld en ik overtuigde mezelf moeiteloos van de handigheid daarvan. En als de telefoon het ooit zou begeven kon ik zo een reservetelefoon met een hele lange draad uit de kast halen. Hij was wat ouderwets maar dat deed er niet toe. Als iemand nog extra kussens nodig had, dan kon ik daarvoor zorgen. Bovendien, en deze was echt geweldig, ik hoefde geen kleren uit te kiezen want als ik gewicht zou verliezen dan hoefde ik me geen zorgen te maken, ik had nog een voorraadje in elke maat. Lichtjes of zwaar uit de mode maar hé, je kunt niet alles willen. Dat het ook de andere kant op zou kunnen gaan met dat gewicht was iets waar ik op dat moment liever niet aan dacht.
Ik wentelde mezelf in deze comfortabele kortetermijnoplossing
en genoot van het idee dat ik nog nooit in mijn leven een ‘als … dan’-kamer had
gehad.
Er zaten hiaten in mijn aanpak want elke dag, als ik in de kamer moest zijn,
lekte mijn energie weg. Ik zag het wel gebeuren maar deed er niets aan.
Tot ik er op een dag genoeg van had en mezelf zonder
oordeel vroeg hoe ik deze situatie kon omdraaien. Eerstens moest ik me niet
langer meer richten op wat ik niet wilde, wel op wat ik wel wilde. Maar wat was
dat dan? Ik was een ander mens geworden doorheen de jaren en de aanpak die
vroeger succesvol bleek, werkte niet meer. Wie was ik nu? Wat wilde ik?
Ik had niet voor niets al die artikels gelezen en met
‘de’ vraag van opruimgoeroe Marie Kondo in gedachten legde ik grote zakken
klaar, maakte plaats op de grond en op mijn (werkloze) strijkplank, opende mijn
kleerkast en nam mijn eerste kledingstuk uit het rek. Maakte deze jurk me
gelukkig? Werd ik hier vrolijk van?
Nooit in mijn leven ben ik op deze manier door mijn kleerkast gereisd en het werd een reis, dat kan ik je vertellen. Elk kledingstuk en elk paar schoenen, de lakens en dekens van mijn bed, de handdoeken en kussenslopen, werkelijk elk stuk dat ik bezit is verbonden met een verhaal uit mijn leven. En de populaire oplossing om weg te doen wat ik een jaar of twee seizoenen niet gedragen had, werkte niet voor mij. Wat wel werkte was het omgaan met het verhaal dat erachter zat. Maakte dit item mij gelukkig? Werd ik hier vrolijk van? Dit kreeg zin want kiezen kreeg een andere, diepere dimensie en werd verbonden met hoe ik überhaupt omga met materie en met wie ik vandaag ben.
Ondertussen staan er zakken klaar voor andere
doeleinden, heb ik een overzicht over het textiel dat ik bezit en zie ik het verhaal
dat gaat over meer dan kleren. Het gaat over hoe ik omgegaan ben met delen van
mijn leven, wat ik betrachtte, hoe ik veranderd ben en wat ik nu voor mezelf
wil. En hoe graag ik, ook vandaag nog, zwart zie, er is ruimte ontstaan om
gevuld te worden met meer kleur, in mijn garderobe en in mijn leven.
Morgen ga ik in verbinding met de storm bovenop en rond de kast. Word ik daar vrolijk van? Nee, nog niet echt. Maar ik kijk uit naar de zon die haar belofte waarmaakt als haar stralen glinsteren op de nog kale, natte takken. Magisch.
Ze ligt in mijn armen, ik wieg haar zachtjes. Zij houdt haar schattige wijsvingertje in haar mond en kijkt me aan. Haar ogen gaan langzaam dicht en weer open, dicht en open, dicht, dicht. Het vingertje glijdt uit haar mond, haar lichaampje wordt zwaarder, ze slaapt en tijd verdwijnt.
Ik blijf naar haar kijken. Hoe ze zachtjes ademt, de
geluidjes die ze maakt en hoe haar handje zo goed past in de palm van mijn
hand. Ze is een wonder, mijn kleinste kleinkindje. Net als haar zusje die nu om
aandacht vraagt.
“Omi”, “Ja lieverd?” Overtuigd dat ik begrijp waar ze het
over heeft, vertelt ze me in haar eigen gebrouwen taaltje een verhaal dat
ergens ‘auto’ en ‘omi’ inhoudt en waar ik het, hoe kan het anders, helemaal mee
eens ben. Ik vraag haar wat ze toen gedaan heeft en vol animo ontvouwt ze haar
verdere avonturen. Ik luister en leg voorzichtig
mijn kleinste neer, waarna we samen een hoge toren bouwen van de blokken op de
grond.
Weet je wat ik zo heerlijk vind aan kleine kinderen?
Zij leven niet in de toekomst, noch in het verleden. Kinderen leven spontaan in
het hier en nu en niet alleen dat, ze delen die rijkdom van onschatbare waarde zonder
enige terughoudendheid, met de rest van ons. Zij nemen hun tijd zonder zich
bewust te zijn van het begrip dat wij als volwassenen ervan gemaakt hebben en
ervaren als de enige werkelijkheid. Wat een heerlijkheid is het, het vertrouwen
te hebben om altijd in het hier en nu te zijn. Volwassenen hebben hun hele
leven van elkaar geleerd om angst te hebben voor verlies. Een klein kind heeft
alleen te verliezen wat het nu heeft, niet morgen, niet gisteren, zelfs geen
minuut geleden. Dat maakt hen oneindig puur.
Als mijn peutertje en ik de auto onder onze
zelfgemaakte brug doorrijden, flitst er een beeld voor me op. Gisteren stopte
ik aan het tankstation. Het is een plek waar ik niet graag naartoe rijd op
drukke momenten. Er heerst een gehaastheid die kilte uitstraalt. Niemand zegt
iets of kijkt elkaar aan. Het is ieder voor zich en liefst zo snel mogelijk.
Het lijkt of niemand echt daar is. Dat geldt ook voor mij. Gauw kijken of er
iemand achter me staat en maken dat ik klaar ben zodat ik weer kan vertrekken
naar het volgende.
Gisteren niet, het was rustig. Er was maar één auto aan een andere pomp. Ik haalde de kaart uit mijn handtas, opende de klep van de auto, stapte uit en terwijl ik naar de automaat liep nam ik de omgeving in me op. Ik kan niet zeggen dat ik genoot van de handelingen op zich maar het ging om de ervaring van het moment, het was alsof de tijd wegviel. Alles vertraagde. Ik zag mezelf nummers intoetsen en akkoord gaan met een onpersoonlijke paal in de grond, die ervoor zorgde dat ik persoonlijke informatie inleverde om benzine te kunnen krijgen voor mijn auto zodat ik weer verder kon met mijn leven.
Je zou kunnen zeggen dat het een irreëel moment was maar eigenlijk was ik gewoon in het hier en nu. Ik ging niet na het tanken naar mijn leven toe alsof dit er niet bijhoorde. Dit wàs mijn leven. Ik voelde mijn lichaam en geest ontspannen. Even deed ik niet mee en was ik wie ik was, nu, zonder toekomst en zonder verleden.
Daar dacht ik aan toen we met de auto onder onze
zelfgebouwde brug doorreden, mijn kleinkind niet gefocust op de brug die zou
kunnen omvallen zoals ik, maar op het er onderdoor rijden. Waarin ze trouwens
glansrijk slaagde.
Achter me werd ik geluidjes waar. Gebogen over de auto in haar hand zei ze zonder opkijken van haar spel: “Omi, zusje is wakker”.
Ik zit aan mijn schrijftafel. De behoefte was groter dan de blokkade. Ik werkte me er doorheen zonder te weten waar ik zou uitkomen. Het verrast me namelijk iedere keer weer.
Op de tafel liggen tussen de schrijfschriften, een kop koffie, krachtige stenen, tere bloemen, gekrabbelde notities, een brandend kaarsje, potloden en pennen. Daartussen ligt een brief en een extra geschenkje dat ik van Eveline Geraerts en haar, mijn, onze – ja, dat is het, onze – engelen van het licht, kreeg.
De brief is ondertussen gebruikt, heeft een scheurtje, ezelsoren en wat kreuken hier en daar. Dat komt omdat ze meereizen doorheen mijn huis, deze engelen verpakt in woorden en tekeningen. En soms, niet altijd, ben ik me bewust van hun aanwezigheid, als ik afdaal in de warmte van mijn eigen menselijkheid.
Ze doen niet mee aan kant- en klaar en laten me zoeken naar de ingrediënten voor een recept dat misschien bestaat maar nog geen vorm gekregen heeft tot op dat eigenste moment. En als ik denk dat ik niet weet waarnaar ik nu eigenlijk op zoek ben, de twijfel hevig toeslaat en het hardnekkig toch buiten me wil vinden, roepen ze me terug naar een herinnering die in mij leeft en meer dan eens letterlijk voor mijn neus ligt, zoals de brief en het geschenkje. Dan is het aan mij om te kiezen. Een keuze die soms zo ambetant kan zijn dat ik opsta en zeg: “De groeten!”
Maar dan zijn er die keren dat de keuze intens bevrijdend is en zo verrassend mooi. Want als ik de weg naar binnen vind is dat niet omdat ik iets doe, wel omdat ik simpelweg geleerd heb om op dat moment er helemaal te zijn.
Elke stilte waarin we afdalen is een beweging naar binnen. En elke beweging naar binnen is een nieuwe weg naar buiten.