Afstand is relatief

Ik sluit de deur van mijn auto. Stap na stap kom ik in beweging en iedere stap doet pijn. Maar ik ga door.

Ik kreeg net het uitdrukkelijk advies om in beweging te blijven. De kinesiste kijkt me daarbij zo oprecht aan dat er geen ruimte is voor een andere optie. Dus ben ik onderweg gestopt aan mijn lievelingsplek en zet ik nu moedig mijn eerste stappen op de natte grond aan de rand van het bos. Om de haverklap ontsnapt een kreun mijn lichaam en zoek ik naar stabiliteit. En ik ga door.
Als ik even later achterom kijk en de honderd meter die achter me liggen zie, lijkt de weg wel een kilometer lang. Toepasselijk, denk ik, dat is precies wat ik nu doe, doorgaan in mijn eigen tempo hoe het er ook uitziet.

Als ik de andere kant opkijk verschijnt het mij bekende wildpoortje. Het spoort me aan. Dat is wat een mens nodig heeft, poortjes op het pad. En ik adem wat dieper.

Het is al twee weken geleden dat ik hier genoot van een wandeling in de laatste zomerzon. Met deze levendige herinnering valt het me plots op dat ik mijn handen in mijn jaszakken geborgen houd. Het is helemaal niet koud en met mijn handen naast mijn lichaam ondervind ik al gauw meer stabiliteit. Hm, van dat laatste kan ik wel wat meer gebruiken, denk ik.

Au, dat deed pijn! De grond onder mijn voeten ligt bezaaid met eikels en kastanjes. Ik zoek opnieuw mijn evenwicht en kijk naar de overvloed die zich voor mij afspeelt. Voedsel voor de eekhoorns en andere kleine bosdieren. Ik zucht. Gelukkig is er eten voor hen. Zie je, zegt een innerlijke stem, er is altijd evenwicht. Het is slechts een kwestie van dat te zien. En hoe werkt dat weer voor overvloed? Hm, daar kunnen we ook wel wat van gebruiken.

Natuurbeheer heeft huisgehouden in het bos. Het beneemt me de adem. Een kaalslag, een slagveld! Ik kijk om me heen en herken het bos haast niet meer. In een nog trager tempo wandel ik verder en overschouw de chaos. Ik vergeet even de afstand die ik al aflegde zoals ik net mijn pijn vergat toen ik aan de eekhoorns en veldmuisjes dacht. Afstand is relatief en van invloed, klinkt dezelfde stem.

Diepe sporen van een grote, zware tractor hebben de grond zo zompig gemaakt dat ik er niet doorheen wil. Ik heb mijn wandelschoenen niet aan want zag ik niet zitten toen ik op de parkeerplaats vertrok, mijn voeten leken zo ver weg.

Ik draai me om en om in kleine beetjes, georkestreerd door mijn brein, voorzichtig uitgevoerd door mijn lichaam. Overal is het chaos, behalve in de diepe, doorweekte sporen en de hoge, opgestapelde rijen afgezaagde, ontwortelde bomen. Aandachtig verlaat ik het pad en wandel tussen de afgezaagde en gebroken bomen, de takken die nog niet dood zijn, de verbrijzelde houtsplinters en de bomen die het overleefd hebben. Zij bleven ook niet gespaard en zijn letterlijk geraakt. Ik zie de wonden en leg mijn hand erop. Zonder woorden breng ik het bos mijn medeleven over en wens het sterkte. Een slagveld, gaat er door me heen, zo voelt het vanbinnen bij mij soms ook wel eens en dan heb ik rouwtijd nodig.

Een hoge dennenboom trekt mijn aandacht. Het is een reus met een kale stam die kletsnat is tot op twee meter hoogte.
Als ik voor hem sta en naar hem opkijk hoor ik een verhaal.

Terwijl ik luister wordt onze pijn één. Mijn ruggengraat is gewond, mijn basis is geraakt, ik voel me behoorlijk ontworteld. En daar doorheen stromen de wonden van het bos en ervaar ik de chaos, de stilte na de storm en de confrontatie met de realiteit. Heel even staat de tijd stil. We moeten nu herstellen, hoor ik, en blijven ademen. Geen actie. Er is genoeg actie geweest.

Ik ga langzaam verder en voel de energie van het kwetsbare bos en mijn eigen kwetsbaarheid. En ik voel een enorme kracht rond en door me heen gaan.

De bomen wijzen me op het licht dat nu overal aan kan en dat ze daaraan moeten wennen!
Ik zie mijn eigen weg naar zichtbaarheid, hoe licht begint te schijnen en hoe onwennig dat voelt. Hoe ik stil moet blijven staan bij het nieuwe dat zich in mij roert.

Ik wandel terug naar het pad en draag een stukje licht uit het bos met me mee.

Daisy Was 🌱

Weet je ’t zeker?

Ik heb een beperking. Oké, ik heb er wel honderd. Ze zitten allemaal in mijn hoofd en vandaag maak ik er ruzie mee.”

Soms wil ik vloeken en tieren en huilen van frustratie, en geloof me, dat doe ik ook! Mijn beperkingen zijn namelijk van het soort dat ik moet oplossen. Strontvervelend als je er middenin zit!

Er zijn beperkingen waar je niets aan kunt doen, die je moet accepteren en waar je mee moet leren leven. Dat is niet gemakkelijk, zeg maar gerust heel moeilijk in onze maatschappij.

En dan zijn er, buiten alle anderen die je nog kent, de beperkingen die je hebt verzameld onderweg. De stemmetjes die je interne boekhouding feilloos bijgehouden heeft en bepalend zijn geworden voor je gedrag van vandaag. Gedrag dat je in de weg gaat zitten als je je leven een frequentie hoger wilt tillen. Alsof het universum met het nodige sarcasme zegt: “Weet je het zeker?”

Uit je comfortzone komen, wordt dat genoemd. Je moet uit je luie zetel komen en gaan staan voor waar je naartoe wilt anders kom je niet vooruit. Soms echter, moet je juist zitten blijven tot je helder hebt welke kant je uit wilt. Zoek het je maar uit, je krijgt er geen gebruiksaanwijzing bij. Dat heeft natuurlijk ook een avontuurlijk prikkelende kant.

Of je nu tien kilogram wilt afvallen of een nieuwe baan wilt zoeken, miljonair wilt worden of op een podium wilt gaan staan om te delen vanuit je hart, je moet uit je schulp komen.

In aanvang zie je dat helemaal zitten. De adrenaline druppelt aan hoge snelheid je infuus in en je opwinding werkt in op je creativiteit. Je ziet het nog niet helemaal voor je maar je mikt voor de maan zoals ze dat zeggen, zodat je op z’n minst tussen de sterren zal belanden.

En dan komen ze. Je hoort ze eerst niet eens omdat ze zo vertrouwd zijn dat ze zonder kloppen via de achterdeur naar binnen komen. De stemmetjes.
Je merkt iets, een koud windje dat passeert. Je let er niet op maar je voelt het wel. Het heeft iets onaangenaams maar je weet niet wat het is. Je gaat verder met je plannen en schenkt er geen aandacht meer aan. Het lijkt te verdwijnen. Tot je merkt dat je begint te twijfelen. Je gooit je schouders even los maar het lijkt niet te helpen. Je laat je plannen voor wat ze zijn en zoekt afleiding want dat is vast wat er nodig is. Dat kan, inspiratie heeft ruimte nodig.
Maar hoe je ook probeert, je krijgt ‘het’ niet meer opgepakt zoals ervoor, de jus ontbreekt. Je ervaart allerlei beperkingen zonder er de vinger op te kunnen leggen.

En de stemmetjes worden luider. “Misschien was het toch niet zo’n goed idee. Waarom dacht je eigenlijk dat je dit moest doen? Het is niet zo origineel als je dacht in je kinderlijke enthousiasme. De mensen zitten daar niet op te wachten, er is zoveel aanbod. Je wordt zenuwachtig als je eraan denkt, zou je dit nu wel doen? Denk je echt dat je goed genoeg bent?”

Dat laatste is de genadeslag. De donkere wolken trekken samen boven je en je zoekt naar een trui om je te beschermen tegen de kou. Je doet de deur dicht.

Het wordt stil in huis.
Ik staar in het niets. Of nog erger, in het niets naar de tv.
Plots veer ik recht!
“Verdomme! Nee! Deze keer niet!” Ik loop naar de deur, zet hem open en jaag ze buiten, de beperkende stemmetjes.
“Adieu! Je zoekt het je maar uit maar niet nu en niet hier!”

Ik haal diep adem, plant mijn voeten in de aarde, recht mijn rug en zeg:
“Wat ik breng mag dan niet origineel zijn maar één ding is zeker. Het is nog nooit gebracht door mij!”

Daisy Was 🌱

Veilig

Ik heb een hele tijd in het zuiden van Limburg gewoond en ging daar veel wandelen. Elk jaar bij de opening van het jachtseizoen hoopte ik dat de dieren gezond en wel aan de jagers zouden ontsnappen. Ik wenste ze één voor één geluk als ik ze tegenkwam.

Het idee dat mensen vogels kweekten in kooitjes, om ze ‘vrij’ te laten in de natuur zodat de jagers hun ‘sport’ konden uitoefenen en de dieren konden opjagen om te doden, was voor mij zo wreed dat ik plaatsvervangende schaamte voelde.

Ik hield oprecht van de mooie vogels die behoedzaam door de velden liepen en bij de minste onraad hun vleugels spreidden en prachtig door de lucht zweefden. Ik hield van de hazen die je tussen de overgebleven stoppels van de bijna kale velden zag zitten. Eerst de oren, dan de rest van hun ongelooflijke schoonheid en de snelheid als ze hun krachtige achterpoten gebruikten om te rennen. Ik hield van de prachtige vos wiens poten ik hoorde neerkomen op het aarden pad enkele meters van me vandaan. Hoe hij een seconde naar me kon kijken van uit zijn ooghoek om dan sierlijk te verdwijnen in het laatst overgebleven maïsveld.

Het waren geschenken die mijn cellen deden opleven en mijn hart wakker klopten. Elk jaar weer droomde ik in de velden dat de dieren het zouden halen zodat ze na een lange winter, in de lente voor hun kroost veiliger oorden zouden kunnen opzoeken.

De vraag die ik weer mee naar huis nam was: “Waar is dat in deze wereld, een veilig oord voor dieren?”

Ik denk dat het antwoord in de buurt ligt van “Bij de mens die in liefde en respect naast hen kan leven.”

Daisy Was 🌱

libelle

Ik lees brieven naar de volle maan. Een brief over vertellen raakt me vanbinnen omdat ik zelf aan de drempel sta.

Als ik nog langer wacht, denk ik, is het magische voor mij voorbij. Ouder wordende vrouwen, het worden er steeds meer, zij hebben iets te vertellen, te delen, te geven, te ontvangen. Iets dat wijsheid geworden is en voedend is voor de wereld.
In het laatste jaar waarin ik een 5 draag voor de 6 arriveert, besef ik op een nieuwe ‘wijze’ dat tijd op aarde bepalend is. Moet ik versnellen?

Ik schrik op. Een grote libelle vliegt tegen het net op het terras. Ze hangt vast.
Mijn lichaam wil snel opstaan maar mijn intuïtie houdt me tegen. Rustig, geef haar de tijd die ze nodig heeft. En verbonden daaraan hoor ik, geef jezelf de tijd die je nodig hebt. Om helder in actie te kúnnen zijn.

Tijdens ongeveer drie lange seconden hoor ik gezoem afgewisseld met stiltes. De libelle probeert los te komen. Ze vertelt me iets. Ik kijk en luister gefascineerd en zit klaar om beheerst op te staan en hulp te bieden. Op dat moment vliegt ze weg.

Ik blijf zitten en het eerste wat ik wil doen is de spirituele betekenis van een libelle opzoeken … en stop. Ik leg mijn telefoon neer want ik heb al ontelbaar veel libellen en hun boodschappen in mijn leven ervaren en vertel mezelf met een bijna triomfantelijke glimlach dat google zelfs nog nooit een libelle heeft gevoeld.

Het prachtige dier was heel groot. Haar lichaam was turquoise en er glinsterden sterretjes in haar doorzichtige vleugels. Ze zijn magisch libellen, magisch als de draken in het rijk van het oude volk. Ik ontspan en hoor het verhaal dat ze me bracht.

“Soms vlieg je in je snelheid ergens tegenaan. Tegen een hindernis die je verrast omdat ze niet zo onvermijdbaar is als concrete materie, bv een muur.
Het net van vandaag heeft mazen en laat je zien hoe het eruit ziet aan de andere kant en je vraagt je af hoe je daar komt. Je wilt je alleen maar bevrijden van de hindernis die je tegenhoudt en weet niet dat deze je beschermt tegen je eigen ondergang. De schittering van het licht waar je zo graag naartoe wilt, doet je soms het overzicht verliezen waardoor je niet veilig gefocust vooruit kan bewegen en je te snel bent. Je raakt verblind.”

(Als het net er niet hing was de libelle misschien dood gevlogen in de glinstering van het raam.)

“STOP!” zegt de libelle. “Dit is waar je bent. Je bent nergens anders. Je gaat nergens anders naartoe. Dit was het beste wat je in deze omstandigheden kon doen. Vastzitten.

Kijk om je heen. Beweeg een beetje. Voél waar je bent. Beweeg nog een keer. Shhht, rustig, blijf gefocust. Beweeg nog eens. Voel. En kijk! Je vliegt!

Go wíth the flow, don’t push it.

Niet de schittering is jouw doel. Je bent immers je eigen licht. Vertrouw.”

🌱 Daisy Was

Once upon a time

Is het dat melancholische regenweer dat me altijd weer meeneemt? Is het het ouder worden dat het verleden dichterbij brengt? Zo oud ben ik nog niet.

Zeker niet als ik me een prille twintiger voel, deinend op de overzetboot van Nantucket, Massachusetts naar Hyannis, alleen op reis naar New York waar nieuwe verrassingen zich zullen ontvouwen.

Ik vraag aan mensen of ze de richting van de Big Apple zullen uitrijden maar ik kan niemand vinden. Sinds de boot de haven uitgevaren is voel ik ogen in mijn rug. Iemand slaat me nauwlettend gade. Ik draai me om en kijk in de vriendelijke maar doordringende ogen van een man die ik ongeveer 45, 46 jaar schat. Hij knikt niet, geeft geen zichtbaar teken van herkenning en ik besluit om een kop koffie te drinken aan het buffet. Als ik daarna op het winderige dek ga wandelen en mij omdraai om mijn sjaal rond me te kunnen wikkelen tegen de zon en de wind ontwaar ik opnieuw zijn blik. Het voelt niet gevaarlijk, ook niet vijandig. Ik kan het niet thuiswijzen, het voelt vreemd.

Alle passagiers staan ondertussen te wachten om aan wal te gaan en de mysterieuze man biedt me op het laatst mogelijke moment een lift aan. Hij woont in Greenwich, dat ligt in de buurt van mijn eindbestemming. Twee dingen gaan door me heen. Ik heb geen andere mogelijkheid om te reizen, tenzij het vervelende vooruitzicht om van de ene trein en bus op de andere te springen. Als ik de man bekijk voel ik volkomen onschuld. Ik weet niet waarom maar het voelt oké. Ik besluit om mee te rijden.

In de auto vertelt hij dat hij elk jaar met vrienden gaat vissen in Nantucket. Ik denk terug aan de afgelopen tijd. Aan mijn baantjes hier en aan de vissers die dagelijks terugkeerden van de oceaan met verse vis, kreeft en scallops.

Scallops! Hoeveel ruwe schelpen zouden mijn handen gepasseerd zijn om met een vlijmscherp mesje in één vloeiende beweging in een emmertje te belanden. Kapotte handen, pijnlijke nekspieren, ruikend naar vis maar hoe voller het emmertje, hoe meer dollars als ik ’s avonds doodmoe de deur achter me sloot.  

Ik voel hoe hij me zit aan te kijken en weet dat de vragen die hij stelt over mijn bezigheden in het leven niet zonder doel zijn. We zijn een half uur onderweg en hebben nog 6,5 uur voor de boeg. Het valt me plots op dat we ons niet aan elkaar voorgesteld hebben. Hij heet Norbert en komt uit Groot-Brittannië. “All right, that should work”, zeg ik een beetje lachend, “I’m European too”. Hij schuifelt een beetje zenuwachtig heen en weer en vraagt waar ik dan wel vandaan kom. “I’m from Belgium” zeg ik. Even lijkt het of alles stil valt, alsof iemand voelbaar het stuur overneemt. Hij is lijkbleek en stopt aan het eerste wegrestaurant dat we tegenkomen. We drinken zwijgend koffie en een onverklaarbare rust komt over ons heen als we weer gaan rijden.

Na een lange stilte zegt hij dat hij mij iets wilt vertellen. Een verhaal dat hij nog nooit verteld heeft tegen a living soul. Het mooiste verhaal van zijn leven.

Hij was 20 toen hij samen met enkele andere collega’s door zijn firma naar België werd gestuurd om een vergadering bij te wonen in Brugge. Zijn collega’s besloten de stad te gaan verkennen de eerste avond. Hij voelde er meer voor om rustig in het hotel te eten en zich voor te bereiden op de volgende dag. Terwijl hij aan een tafeltje ergens over zat te denken zag hij de zwarte vleugelpiano aan de andere kant van de kamer. Hij kon de verleiding niet weerstaan en ging op de kruk zitten, zette zijn handen op de toetsen en speelde zijn lievelingsmuziek. Mensen kwamen rond de piano staan en het werd gezellig.

Een van luisteraars was een meisje van ongeveer 19 jaar. Een doodgewoon meisje, niets opvallends maar om de een of andere reden fascineerde ze hem en hij zocht contact. Ze sprak Engels en was daar met haar ouders. Deze hadden het niet op hem gemunt maar de jongedame wel en dus spraken ze stiekem af de volgende avond.

Het moment waarop ze die bewuste avond in de lobby verscheen werd hij tot over zijn oren verliefd. “Zij was de mooiste”, vertelde hij heel ontroerd. Ze genoten intens van elkaar maar hij moest terug naar Groot-Brittannië en zij bleef in Brugge.

Eens thuis werd hij wee van verlangen en pakte nogmaals zijn koffers om terug te keren naar Brugge. Daar wond hij er geen doekjes om en vroeg haar ten huwelijk. Ze waren dolgelukkig maar haar ouders niet want ze mocht niet trouwen met een buitenlander. Het huwelijk ging niet door.

Ze zijn elkaar in het geheim blijven ontmoeten en elk moment was een gestolen en gelukzalig moment om nooit te vergeten. Een vakantie in Griekenland deed hen beiden beseffen dat geheimhouding niet was wat ze wilden en namen afscheid.

Zo snel als het begon kwam het einde. Ze hebben elkaar nooit meer gezien. Hij kreeg een aanbieding in Amerika en kwam niet meer terug.

Hij vertelt heel vluchtig over zijn huidige vrouw en hun kinderen, een stabiel gezin. Het wordt weer stil in de auto.

Beiden in gedachten verzonken rijden we verder tot aan een restaurantje aan de Connecticut River. Voor we uitstappen kijkt hij me even aan, speelt wat met zijn autosleutel en zegt: “I know here inside, that if I would see her again I would leave everything behind to go on where it all stopped so abruptly”.

We stappen uit en genieten van het eten terwijl we in alle rust uitkijken op de River. Woorden lijken nu brutaal, de stilte is helend.

Op terugweg naar de auto laat ik mijn tas vallen. Hij helpt me alles op te rapen en als ik opkijk staat hij met een Nederlands boek in zijn handen. Een boek dat een Belgische vriendin me opstuurde tijdens mijn verblijf in Nantucket. Hij slaat het open en begint te lezen alsof Nederlands zijn moedertaal is. Mijn verbazing stijgt wanneer hij begint te vertalen wat hij net gelezen heeft. Hij is het nooit vergeten.

Dan zie ik het weer duidelijk, die blik in zijn ogen die me al van op de boot gepuzzeld heeft. In de auto vraag ik naar zijn belangstelling voor mij en waarom hij dit mooie verhaal vertelt. Hij kijkt me aan. Het is lang stil in de auto. Dan zegt hij:

“Toen ik jou daar op de boot zag stappen dacht ik dat ik gek werd. Je ogen, je lange haren, je profiel, je stem, alles klopte. En toen je me vertelde dat je uit België kwam en dan ook nog Vlaamse was, werd het even zwart voor mijn ogen. Jij bent het evenbeeld van een jonge vrouw die op een zwarte vleugelpiano leunde in een klein Brugs hotelletje, 20 jaar geleden.”

Ondertussen komen we aan in New York. Ik haal zonder woorden mijn rugzak uit de koffer van zijn auto en wil hem bedanken en vaarwel zeggen. Hij is me voor, kijkt me recht in mijn ogen en met een onbestemde zachtheid in zijn stem zegt hij:


“You know that I will probably hate you forever.” Met de rugzak half over mijn schouders kijk ik op en antwoord: “I know” en verdwijn uit zijn leven.

🌱 Daisy Was

dubbel

Het schemert in de kamer als ik mijn ogen open. Ik hoor de wind in de bomen en proef het met al mijn zintuigen. De herfst klopt zachtjes aan.  

Waar het zaterdag nog broeierig warm was voelde het op de fiets vanochtend als de overgang. Is herfst echt mannelijk? Het voelt evenzeer vrouwelijk, wat het woordenboek er ook van zegt. Heeft de herfst last van overhoop gehaalde hormonen? Hm, is dat wel last? Ze is prachtig en onvoorstelbaar creatief en krachtig in haar spel.
Ik denk aan mijn regenjas, aan shirts met lange mouwen en aan ingepakte voeten in dichte schoenen. Dat voelt dubbel want de zon schijnt nog zo lekker en ik hou intens van dagenzonderjas.

Dankbaar dat ik de mogelijkheid heb om mij te beschermen en dat mijn dierbaren dat ook kunnen, terwijl zoveel kinderen en volwassenen al dichter tegen elkaar aan gekropen zullen zijn tijdens de nacht omdat zij niet de bescherming hebben van muren en daken, een bed, een kamerjas en voedzaam eten, gaat mijn hart uit naar hen. Maar verandert dat ook maar iets aan hun situatie? Dubbel.

Beelden van gisteren verschijnen voor mijn ogen. Ik fietste naar het centrum om een aperitiefje te gaan drinken bij mijn zoon en schoondochter en passeerde de Sint Quintinuskathedraal. De deur stond open. Er was geen mens. Ik had er nog nooit een voet binnen gezet of misschien wel maar dan wist ik het niet meer. Met mijn fiets op slot tegen de gevel van de oude kerk liep ik stil naar binnen.
Ik weet niet hoeveel die stilte met respect te maken had als wel met een celherinnering aan verplichtingen. Er was blijkbaar toch iemand, een devote man met een gelaat waaruit ik niet kon peilen of het verdriet of verbittering was maar wel duidelijk lijden.
Ik keek naar de welvingen boven mijn hoofd en kon het orgel dat tot aan het plafond reikte, niet ontwijken. Prachtig bewerkt hout, indrukwekkend geconstrueerd, reikend of zal ik zeggen ‘rijkend’ naar de hemel. Hoeveel collectes zouden erin zitten? Hoeveel schenkingen? Hoeveel aflaten? Hoeveel liefde? Dubbel.
Omdat ik niet goed ben in schatten probeerde ik me voor te stellen als een soort Alice in Wonderland hoeveel keer ik op mijn eigen hoofd paste om het plafond te raken. In mijn fantasie kwam ik aan minstens tien keer. Dat is hoog! Ik dacht aan de mensen die uren, dagen, weken en maanden, misschien wel jaren gewerkt hadden aan een instrument ter ere van de gloria, de eer, de roem, de heerlijkheid. Een middel op weg naar een doel. Werd het middel het doel …

Op de achtergrond zong een mannenkoor maar na vier seconden blijdschap ontdekte ik dat het geluid uit een verdekt opgestelde luidspreker kwam.
De zijbeuken waren gevuld met heilige vrouwenfiguren zoals Maria en Apollonia, waar je kaarsen kon branden tegen betaling om gunsten, medeleven en genezing te vragen terwijl je mediteerde in de stoelen voor hun afbeelding en enkele schilderijen van bijbelse taferelen. In mijn beleving zijn ze de zachtste figuren uit de kerk, de vrouwen. Dubbel. Want ze zijn zo krachtig, alleen zie je dat bij deze beelden niet altijd. Zou hun vrouwelijke kracht, in tegenstelling tot hun bescheidenheid, te indrukwekkend geweest zijn voor de kerk?

De doopvont lag in een hoek van de kerk en ik vroeg me af hoe het moest zijn als baby om liggend en starend naar die hoge, donkere omgeving en het prachtige glas in lood, water over je heen te krijgen door een vreemde terwijl je in de armen van je moeder of je meter of peter ligt. Dubbel.

Toen zag ik achter me de biechtstoelen met de gordijntjes en was eerlijk verbaasd dat ze er nog waren, of nee, dat ze nog steeds dienst doen.

Plots bevond ik mij terug in mijn kindertijd tijdens het verplichte biechten met de hele school naast elkaar op de banken in opgelegde stilte, wachtend tot je op je knieën op het houten trapje moest plaatsnemen terwijl een priester die je net nog voor de kansel had gezien zonder sjaal, zo noemde ik dat toen, door een uitgewerkt houten frame van de andere kant zijn zegen gaf om je zonden op te biechten. Natuurlijk keek je stiekem en voelde je je betrapt als zijn ogen door de gaatjes jou recht aankeken. Dubbel. Hoe ik dingen verzon die ik zogenaamd mispeuterd had want niets fout doen kon niet, dus bedacht je dingen want wie kent zijn of haar eigen blinde vlek. En dan kreeg je absolutie. Wat dat precies inhield wist ik niet maar het betekende dat je weer mocht deelnemen, weliswaar als berouwvolle zondares want dat bleef je, maar bevrijd van het kwaad. Het maakte een diepe indruk op mijn bestaan als kind, ik kon niet begrijpen hoe kleine, onschuldige baby’s niet onbevlekt ter wereld konden komen. Hoe je niet zonder zonden kon zijn, hoe hard je ook probeerde.

De biechtstoelen in de kathedraal zijn uitgewerkt in prachtig hout, met engelen die klaarstaan om je zonden weg te vegen na je penitentie. Ik volgde de lijnen van het glanzend en goed onderhouden kunstwerk dat ooit een echte boom was met bladeren die reikten tot in de hemel. Dubbel.

Ik liep verder en voelde de genade, de honger naar liefde en erkenning, de rust, de overgave en de eeuwen van hoop en hopeloosheid, van pijn en wanhoop en zoeken naar antwoorden. Mijn hart voelde mededogen, de vleugels van liefde zijn van onschatbare waarde maar om welke vleugels gaat het dan.

Ik keek nog één keer door het lange gangpad naar het altaar, zag de schoonheid en de val, the beauty en the beast en draaide me om. Buiten haalde ik diep adem, opgelucht, en keek naar boven. Daar hoog in de lucht zag ik mijn enige echte kathedraal, de reizende wolken aan de hemel. Eens voorbij komen ze nooit meer terug maar je kunt erop vertrouwen, er komen altijd nieuwe.

Daisy Was 🌱

Tuinieren

Het was zomer. Mijn kinderen woonden nog gezellig bij me in een heerlijk huis met een tuin, waarin we de sterren en de maan konden terugvinden door gewoon omhoog te kijken.

Merels zongen er hun mooiste lied als ze bij valavond de regen aankondigden. Een familie grote kraaien logeerden op het dak waar ze elk voorjaar hun nest bouwden in een ongebruikte schoorsteen. Kievitten scheerden laag over onze hoofden als de jongen uit het ei waren gekropen en mijn geliefde Tijgertje werd de dappere, waakzame koning van de buurt. Deze tuin zou de laatste zijn waarin ik voorlopig zou verblijven maar dat wist ik toen nog niet.

Tuinieren is nooit mijn hobby geweest. Maar misschien is dat ook wel omdat ik het nog nooit op mijn manier deed en dat is dan omdat ik, nog steeds, eigenlijk niet weet wat mijn manier inhoudt en daarom dacht dat ik het niet kon of dat het me niet interesseerde. Hm, ingewikkeld?

Waar het op neerkomt is dat ik er anders naar kijk. Ik ben namelijk nieuwsgierig en heb gewoonweg plezier in wat de natuur uit zichzelf komt schenken. Ik wil me niet zo graag moeien met een kracht die zoveel wijzer is. Je plant wat je nog wilt toevoegen en wacht of dat stuk grond het een verrijking vindt. Als dat zo is, kan je de relatie met respect uitbouwen. En daar heb ik heel veel geduld voor, nog altijd.

In onze zomertuin van toen kon ik op mijn dooie gemak de schoonheid van de molshopen tussen de paardebloemen, heermoes, madeliefjes en weegbree, bewonderen. Wat een werk hadden die blinde dieren! Ik stelde me het drukke leven van de mol voor in dialogen en verhalen en trachtte hem met die verhalen in gedachten te bereiken, met de boodschap dat hij moest vluchten omdat hij anders een zekere dood tegemoet zou gaan want mensen zijn op hun creatiefst als het op lijden aankomt.

Op één van die zomeravonden schreef ik dit in mijn dagboek.

“Het oerwoud is omgevormd tot een soort over de bodem kruipend, weelderig (on)kruidland. Met onschuldige gretigheid heb ik het allereerste tomaatje, één aangevreten paprikaatje en twee gezonde pepers kunnen oogsten! Tot mijn ver- of bewondering, beiden zijn opwindend, passeerden een verscheidenheid aan spinnen waarvan sommigen zelfs een kruis op hun rug droegen en me met een klein gilletje deden verschieten. Als kind maakten we elkaar namelijk wijs dat ze ons konden vergiftigen! Even ging het door me heen dat hun voorouders waarschijnlijk de kruistochten hadden meegemaakt maar dat was misschien wat al te ver gezocht.

Er liep heel wat klein volk in de tuin rond, het was er druk. Sommigen waren net zo min op mijn gezelschap gesteld als ik op het hunne en dat resulteerde in enkele ambetante bultjes.
Tussendoor had ik een ontmoeting met een grote, groene sprinkhaan! We keken elkaar een hele tijd in stilte aan voor ze weer verder moest. Het was prachtig!
En ondertussen liep ons onbekend logeetje sinds een dag, een sneeuwwit poesje, als een dolle speelbal in en uit de serre. Ik was meteen verliefd op hem. (PS: hij is gebleven, wat dacht je)

Uit de serre kon ik twee hele handenvol groene, een beetje aangestoken boontjes plukken en een lekkere eikenbladsla, die ik gedeeld heb met een dakloze slak toen ik hem voor de volgende nacht alvast een onderkomen gaf bij de vlinderstruik.”

We zijn ondertussen heel wat jaren verder en ik heb al lang geen tuin meer. Ik zeg nog steeds lachend dat ik geen groene vingers heb en dat wordt ook nog steeds bevestigd. Maar wie weet, misschien wordt het tijd om mijn overtuiging te herzien en de toekomst open te laten voor nieuwe verrassingen.

Daisy Was 🌱

Foto M Spiske

Stemmetjes

Plots ben ik geïrriteerd. Allerlei stemmetjes in mijn hoofd die zitten te wachten op een gelegenheid, vallen aan. Ik hoor het kraken van een platenspeler, word onrust gewaar in mijn lichaam en voel mijn hart haar deuren sluiten.

“Onzin”, hoor ik in mijn hoofd. “Iedere keer weer” klink een andere stem. “Waar leven die mensen eigenlijk!?” roept een derde. “Ja! Amai! Als ze gelijk hadden en het écht waar was wat ze beloofden, waren ze allemaal stinkend rijk!” antwoordt een vierde. “Just another wannebe” hoor ik iemand zuchten.

Op de achtergrond klinkt het gedempte geroezemoes van andere ontevreden stemmetjes. “Ik zei het toch, onzin.” stelt de eerste stem emotieloos vast.

Plots maakt iedereen plaats en galmt de dominante dreun van een reus. Als een advocaat toornt hij hoog boven de anderen uit en begint zijn redevoering met een statement. “Zíj hebben ongelijk!!!”

Een goedkeurend gemompel stijgt op uit de menigte. De reus neemt een diepe ademhaling om zijn betoog aan te heffen maar onderbreekt dat plots als een zacht gegniffel uit een hoekje komt.

Alle neuzen draaien dezelfde richting uit. De reus met zijn opgezwollen borstkas krijgt rode ogen van zijn adem in te houden. Hij maakt zich beledigd klaar om uit te barsten maar verslikt zich in zijn eigen haantjesgedrag.

Het gegniffel in de hoek zwelt aan tot een aanstekelijke bulderlach die besmettelijk blijk te zijn en iedere keer meer stemmetjes verovert.

In mijn hoofd is iedereen losgeslagen en lacht en lacht om alles en ook nergens om. Niemand weet nog hoe het begon. Behalve de reus, die zit ondertussen op de grond zonder doel en hij observeert. Zijn borstkas is geslonken tot normale proporties.

Hij is de eerste die het licht ontwaart als de deuren van mijn hart zachtjes opengaan. Langzaam wordt het stil.

In het licht van de open deuren vormt zich een figuur. Er is geen schaduw te bespeuren. Het is het lichtspel zelf dat beweegt. Iedereen kijkt ademloos toe.

De figuur maakt geen geluid maar klinkt wel in alles en iedereen door als ze zegt: “Van binnen naar buiten.”
En alsof ze het afgesproken hebben, haalt iedereen adem en zucht een keer, bevrijd. Mijn lichaam ontspant.

Ik doe mijn schrijfboek dicht. De platenspeler klikt en valt stil.

Daisy Was 🌱

Prioriteiten

Ik reed langs het kanaal naar huis na een, laat het me een bijzondere, namiddag noemen.

Ik heb kippetjes ‘gedreven’. Echt. Ik had er schik in. Je weet wel, zoals je schapen drijft. En ze waren zo lief, alle drie. Ja oké, het was kleinschalig maar toch hé, het was wel belangrijk voor de kippetjes want die waren heel even de weg goed kwijt!

En toen, op weg naar huis, heb ik iemand op de kast gejaagd in een reddingsactie van een reisduif.

De duif zat op de weg langs het kanaal en liep moeizaam voor mijn auto uit. Ze vloog niet weg. Ik stond ondertussen ongeveer stil met mijn vier pinkers in actie om haar te laten oversteken.

Komt er een auto achter me aan toeteren terwijl hij me al van ver gezien had want hij vertraagde al lang voor hij bij me was. Ik had zo’n zin om mijn middelvinger op te steken maar herinnerde me net op tijd dat je daar het tegenovergestelde mee bereikt.

Dus zwaaide ik mijn rechterarm omhoog met een instante boosheid die zo hard door de lucht gesmeten werd dat de bestuurder achter mij energetisch recht tegen zijn voorhoofd geraakt werd, daar ben ik zeker van!

Eigenlijk kon hij me gewoon niet voorbij want ik ‘dreef’ de duif met mijn auto naar de berm aan de kanaalweg. Er was verder geen mens te bespeuren.

De duif bereikte de goot, ik ging aan de kant en de autobestuurder achter me reed voorbij met grote verontwaardiging op zijn gezicht. Het kon me niet schelen, ik had de duif gered van een vreselijke dood.

Nee, het verhaal is nog niet voorbij. Ik stapte uit om de duif verder weg te leiden van het mogelijke gevaar. Ze keek me aan, zo van opzij weet je wel, kopje schuin, één oog op mij gericht.
Ze stapte vermoeid een beetje verder. Ze was geringd en haar hals blonk als een edelsteen in de zon. In mijn achterhoofd hoorde ik dat liedje van oh mijn blauwe geschelpte … of zoiets.

Toen dacht ik aan het koekje dat ik bij de koffie had gekregen die namiddag! Bingo, dat was een geniale inval! Ik opende de verpakking en dacht toen: ‘Werkelijk!!! Of àll the cookies in the world!’
Je moet me kennen om dit te begrijpen. Het was een koekje gedraineerd in kokos. Jakkes!!

Dapper brak ik stukjes af en strooide ze uit op weg naar het jaagpad. De chocolade smolt in mijn vingers en de geur van de kokos walgde in mijn neus. De duif echter weigerde er ook maar één stukje van te eten. Misschien was ze ook wel allergisch voor kokos!!!

Uiteindelijk dreef ik haar tot aan het jaagpad. Ze keek me nog een laatste keer aan, spreidde haar vleugels en verdween toen in een miraculeuze, dubbele regenboog die achter ons boven het water was verschenen. Wat een onvoorstelbaar, prachtig geschenk 💜

Eenmaal terug op weg naar huis tintelden mijn vingers als reactie op de kokos en reed ik met het raam wijd open tegen de geur mijn huisje tegemoet.

Boven de kokos echter, rees een ander tintelend gevoel uit. Ik had een leven gered. En de rest, dat zou wel goed komen.

Daisy Was

Even niet

De zon was zich al aan het voorbereiden op een rustige overgang toen ik het hek aan het bospad opende en de mensen in het park achter me liet.

Heel bewust liet ik daar ook het idee achter dat mijn verstand met trots gecreëerd had en verkondigde alsof het de waarheid was. Of ik even wil vertellen welk idee? Hemeltje lief, nee, je kent zelf voorbeelden genoeg, geloof me. Dat je iets niet kan bijvoorbeeld of dat je niet goed genoeg bent omdat …, of dat je beter dat andere kan doen ook al wil je eigenlijk dat ene. Vul maar in, je verstand heeft er verstand van, echt.

Ik liet het idee van mij dus achter bij het hek en wentelde me in honderd tinten groen, versierd met wilde voorjaarsbloemen waar de bijtjes, libellen en allerlei insecten doorheen zoemden op zoek naar nectar en een partner.
In de vijver bliezen mannetjeskikkers luidruchtig hun ego op en sprongen heel stoer en doelgericht op de vrouwtjeskikkers af. Die waren daar niet altijd mee opgezet en verdwenen dan tussen de waterpest, waarna de mannetjes doodleuk hun gezang opnieuw inzetten in een nieuwe poging om hun genen voort te zetten.

Het was magisch om naar het aanzwellende kikkerkoor te luisteren en heel lang stond ik muisstil. Niet zoals de muizen zelf want die hadden het vreselijk druk met heen en weer lopen doorheen een dik bladerdek dat bewoog alsof het elk moment in zijn geheel zou gaan verhuizen.

Omdat mijn lijf weer wilde bewegen, wandelde ik verder langs de nieuwe lichting varens die voor mij altijd verbonden zijn met een wereld vol elfen, lichtwezens en avonturen. Kijk maar eens volgende keer. Als je ze eenmaal gezien hebt laat het je nooit meer los. Heerlijk.

Net voor het hek weer in zicht kwam en ik rustig stond te genieten van deze wonderlijke wereld, zag ik plots twee heldere ogen die me onderzoekend aankeken. Mijn hart klopte sneller. Oohhh, een ree op mijn pad! Prachtig!
Maar heel misschien, ik weet het niet zeker hé maar het zou zomaar eens kunnen, was het andersom en dacht zij, oohhh een mens op mijn pad! Prachtig!

Mijn verstand dat braaf had zitten wachten bij het hek aan het bospad keek me even aan over haar grote leesbril en zuchtte.

Ik zei niets en terwijl we samen in deze uitzonderlijke stilte naar de parking liepen, pinkte de zon een oogske recht in het bladerdek en verwelkomde de schemering die op de drempel stond met de nacht al in zijn achterzak.

Daisy Was