
Het was zomer. Mijn kinderen woonden nog gezellig bij me in een heerlijk huis met een tuin, waarin we de sterren en de maan konden terugvinden door gewoon omhoog te kijken.
Merels zongen er hun mooiste lied als ze bij valavond de regen aankondigden. Een familie grote kraaien logeerden op het dak waar ze elk voorjaar hun nest bouwden in een ongebruikte schoorsteen. Kievitten scheerden laag over onze hoofden als de jongen uit het ei waren gekropen en mijn geliefde Tijgertje werd de dappere, waakzame koning van de buurt. Deze tuin zou de laatste zijn waarin ik voorlopig zou verblijven maar dat wist ik toen nog niet.
Tuinieren is nooit mijn hobby geweest. Maar misschien is dat ook wel omdat ik het nog nooit op mijn manier deed en dat is dan omdat ik, nog steeds, eigenlijk niet weet wat mijn manier inhoudt en daarom dacht dat ik het niet kon of dat het me niet interesseerde. Hm, ingewikkeld?
Waar het op neerkomt is dat ik er anders naar kijk. Ik ben namelijk nieuwsgierig en heb gewoonweg plezier in wat de natuur uit zichzelf komt schenken. Ik wil me niet zo graag moeien met een kracht die zoveel wijzer is. Je plant wat je nog wilt toevoegen en wacht of dat stuk grond het een verrijking vindt. Als dat zo is, kan je de relatie met respect uitbouwen. En daar heb ik heel veel geduld voor, nog altijd.
In onze zomertuin van toen kon ik op mijn dooie gemak de schoonheid van de molshopen tussen de paardebloemen, heermoes, madeliefjes en weegbree, bewonderen. Wat een werk hadden die blinde dieren! Ik stelde me het drukke leven van de mol voor in dialogen en verhalen en trachtte hem met die verhalen in gedachten te bereiken, met de boodschap dat hij moest vluchten omdat hij anders een zekere dood tegemoet zou gaan want mensen zijn op hun creatiefst als het op lijden aankomt.
Op één van die zomeravonden schreef ik dit in mijn dagboek.
“Het oerwoud is omgevormd tot een soort over de bodem kruipend, weelderig (on)kruidland. Met onschuldige gretigheid heb ik het allereerste tomaatje, één aangevreten paprikaatje en twee gezonde pepers kunnen oogsten! Tot mijn ver- of bewondering, beiden zijn opwindend, passeerden een verscheidenheid aan spinnen waarvan sommigen zelfs een kruis op hun rug droegen en me met een klein gilletje deden verschieten. Als kind maakten we elkaar namelijk wijs dat ze ons konden vergiftigen! Even ging het door me heen dat hun voorouders waarschijnlijk de kruistochten hadden meegemaakt maar dat was misschien wat al te ver gezocht.
Er liep heel wat klein volk in de tuin rond, het was er druk. Sommigen waren net zo min op mijn gezelschap gesteld als ik op het hunne en dat resulteerde in enkele ambetante bultjes.
Tussendoor had ik een ontmoeting met een grote, groene sprinkhaan! We keken elkaar een hele tijd in stilte aan voor ze weer verder moest. Het was prachtig!
En ondertussen liep ons onbekend logeetje sinds een dag, een sneeuwwit poesje, als een dolle speelbal in en uit de serre. Ik was meteen verliefd op hem. (PS: hij is gebleven, wat dacht je)
Uit de serre kon ik twee hele handenvol groene, een beetje aangestoken boontjes plukken en een lekkere eikenbladsla, die ik gedeeld heb met een dakloze slak toen ik hem voor de volgende nacht alvast een onderkomen gaf bij de vlinderstruik.”
We zijn ondertussen heel wat jaren verder en ik heb al lang geen tuin meer. Ik zeg nog steeds lachend dat ik geen groene vingers heb en dat wordt ook nog steeds bevestigd. Maar wie weet, misschien wordt het tijd om mijn overtuiging te herzien en de toekomst open te laten voor nieuwe verrassingen.
Daisy Was 🌱
Foto M Spiske
